Artikelen

Artikelen (1)

vrijdag, 07 maart 2014 00:00

Krishna djanamasttmie - Pt. Naresh Poeran

Written by

Stamboom van Brahmaa

Shrie Krishna Djanamashttmie

Door: Pt. Naresh Poeran

(Pandit van Sanaatan Dharma)

  

Op deze dag herdenken en vieren de Hindoes de verschijningsdag van Shrie Krishna Bhagwaan, die op de aarde is neergedaald om de mensheid de waarheid, de weg en het licht (waarheid, gerechtigheid en kennis) te wijzen.

 

In de meeste mandier's overal ter wereld worden speciale ere diensten gehouden om Krishna te plezieren. Alle toegewijden vasten tot middernacht. De dag wordt doorgebracht met bhadjan, Krishna kiertan, mahaa mantra chanten en lezingen. De lielaa’s van Shrie Raadhaa en Shri Krishna worden in toneelvorm uitgebeeld. De tempels en altaar worden met bloemen versierd. De toegewijden bieden mooie geschenken aan Shrie Raadhaa en Shrie Krishna. Daarna worden Shrie Raadhaa en Shrie Krishna gebaad met de vijf ingrediënten, het abhishék. Ze worden daarna gekleed in nieuwe prachtige kleren. Daarna worden 108 en meer heerlijke gerechten geschonken aan Shrie Krishna. Het feest in de tempel gaat door tot middernacht. Dan is er mahaa aartie op het moment dat Krishna is verschenen.

 

Duizenden jaren geleden raakte de gehele wereld verstoord door het gedrag van enkele wrede koningen, die machtiger dan God wilden zijn. De déwie’s en déwtaa’s (hemelbewoners) gingen toen om hulp naar Heer Brahmaa. Samen reisden zij naar de geestelijke planeet Swétadwiepa, waar God Wiesjnoe (meestal geschreven als Vishnu) in de melkoceaan verblijft. Aan de oever van de melkoceaan begon Brahmaa, Heer Wiesjnoe met gebeden tevreden te stellen en smeekte Hem om de aarde te redden van deze wrede koningen. Vervolgens zette God Brahmaa zich in meditatie en ontving op die manier in zijn hart een boodschap van Heer Wiesjnoe. De boodschap luidde als volgt: “Ik, de Allerhoogste Godspersoon, zal zeer spoedig op aarde verschijnen, samen met mijn uiterst krachtige vermogens. Ik zal komen om mijn toegewijden te beschermen. Alle déwie’s en déwtaa’s moeten Mij bijstaan in mijn missie. Daarom dienen zij onmiddellijk geboren te worden in de dynastie waarin Ik zal verschijnen, de Yadoe-dynastie”. Krishna verscheen als zoon van Wasoedéw en Déwkie, de zus van de wrede koning Kans.

 

Op de dag van hun trouwen ging Wasoedéw met Déwkie op zijn rijtuig naar huis. Om zijn zus een plezier te doen wilde Kans hen zelf wegbrengen. Onderweg naar het paleis van Wasoedéw hoorde Kans plotseling vanuit de lucht een wonderbaarlijke stem schallen: “Kans, wat ben je toch een dwaas! Je rijdt het rijtuig van je zuster en zwager, maar je weet niet dat hun achtste kind je zal doden! Dat zal dan het einde betekenen van je heerschappij.”Nadat Kans deze voorspelling had gehoord greep hij zijn zwaard om Déwkie ter plekke te doden. Wasoedéw wist de wrede, schaamteloze, Kans met wijze woorden tot bedaren te brengen. Wasoedéw beloofde Kans dat hij al zijn zonen, die geboren zullen worden aan hem zal geven. Kans kende het gewicht van Wasoedéw’s erewoord en was door zijn argumenten overtuigd. Daarom zag hij er voorlopig vanaf om zijn zuster te doden en sloot Wasoedéw en Déwkie op in de gevangenis van zijn paleis.

 

In de gevangenis bracht Déwkie jaar na jaar een zoon ter wereld. En Kans, denkend dat elk van de baby’s een incarnatie van Heer Wiesjnoe is, doodde ze allemaal. Kans had intussen het koninkrijk van Wasoedéw overgenomen en zette zijn eigen vader gevangen. Op die manier riep hij zich uit tot koning van vele gebieden. Toen Déwkie’s zevende kind geboren moest worden, verscheen er een volkomen expansie van Krishna in haar schoot, genaamd Ananta Sésa. Krishna gaf zijn voornaamste vermogen, Yogmaayaa de opdracht om Ananta Sésa van de buik van Déwkie over te brengen naar de buik van Rohieniedéwie. Rohieniedéwie bleef in het huis van Nand en Yashodaa. Krishna zei aan Yogmaayaa: “Deze volkomen expansie van Mij zal Balraam heten. Na deze overbrenging zal ik met mijn volledige vermogens verschijnen in de buik van Déwkie en jij, Yogmaayaa zal als dochter van Nand en Yashodaa verschijnen.” Zo gebeurde het dat Kans het zevende kind niet kon doden. Kans dacht dat Déwkie een miskraam had gehad en wachtte tot het achtste kind geboren zou worden.

 

Het lichaam van Déwkie had een stralende, bovenzinnelijke schoonheid. Dat was een teken dat Krishna zou verschijnen. Heer Brahmaa en Heer Sjiew (meestal geschreven als Shiva), Naarad Moenie en vele andere hemel bewoners kwamen naar de gevangenis en begonnen de Allerhoogste Godspesroon te vereren en gebeden tot Hem te richten. De planeten en de sterren zagen er heel gunstig uit. Overal heerste een hemelse sfeer. Midden in de nacht verscheen Krishna, in Zijn volledige expansie van Heer Wiesjnoe, als de volle maan die aan de oostelijke horizon rijst. Hij had vier handen, die een schelphoorn, een knots, een werpschijf en een lotusbloem vasthielden. Gekleed in geelzijden gewaden, met edelstenen, kostbare armbanden en oorbellen getooid. Hij zag er oogverblindend uit. Het was duidelijk dat Hij niemand anders was dan Heer Wiesjnoe. Wasoedéw en Déwkie waren natuurlijke stomverbaasd. Ze begonnen met gevouwen handen diepgevoelde gebeden tot de Heer te richten. Déwkie was erg bang voor de gruweldaden van Kans en smeekte Heer Wiesjnoe om Zijn vierarmig gedaante te verhullen, zodat ze Hem kan verbergen voor de wrede Kans. Maar Krishna antwoordde:”Ik verscheen in deze gedaante enkel om u te overtuigen dat Ik, de Allerhoogste Godspersoon, opnieuw ben verschenen. Ik had als een gewoon kind kunnen verschijnen, maar dan zou u twijfelen wie ik werkelijk ben. Wees niet bang voor Kans. Vader, ik wil dat u me onmiddellijk naar Gokul (lees Gokoel) brengt. Daar zult u ontdekken dat Yashodaa net een dochter heeft gekregen. U moet deze dochter met mij verwisselen en vervolgens haar dochter hier naartoe brengen.”Na deze woorden transformeerde Krishna zich in een gewoon kind. Zijn gedaante had de kleur van een donkere zwarte wolk, omdat hij midden in de nacht is verschenen. Vandaar dat Krishna ook Shyaamsoendar wordt genoemd. Wasoedéw pakte Krishna en liep de gevangenis uit. Door de wil van Krishna waren alle inwoners van het paleis in diepe slaap. Alle deuren en poorten die op slot waren gingen plotseling open. De nacht was erg donker en er was een zware regenval. Hij ging naar het huis van Nand maharaadj en Yashodaa maataa en zag dat een ieder daar in diepe slaap was. Stilletjes ging hij het huis binnen en verwisselde de baby’s. Zonder problemen stak hij weer de Yamuna rivier over en keerde terug naar het paleis. Hij legde de baby in de schoot van Déwkie. De bewakers werden wakker van het gehuil van de baby en brachten Kans meteen op de hoogte. Kans schrok en zag zijn dood al naderen. Déwkie smeekte Kans haar kind niet te doden. Hij had toch niets te vrezen van een dochter. Ondanks haar gesmeek, greep de wrede Kans de baby en stond op het punt haar te doden. Het kind, Yogmaayaa, dat over wonderbaarlijke vermogens beschikte, steeg echt uit zijn handen omhoog de lucht in en bleef daar op mystieke wijze rondzweven. Daarop zei Yogmaayaa tegen Kans:”Schurk, het kind dat jou zal doden is al ergens in deze wereld geboren”. Kans begon toen samen met zijn wrede raadslieden allerlei plannen te beramen om Krishna op te sporen en te doden. Alle kinderen die de afgelopen tien dagen geboren waren, moesten gedood worden. Daarom stuurde Kans vele jaren achtereen demonen naar Gokul om Krishna te doden. Maar omdat Krishna de Allerhoogste Heer is, doodde Hij ze allemaal zonder moeite. Om Krishna te beschermen verhuisde Nand mahaaraadj toen met zijn hele familie naar Nandgaanw en later naar Vrindavan (lees Wriendaawan). In Vrindavan vonden toen vele lielaa’s plaats tussen Krishna, Balraam, de koeherders (gopa’s), herderinnen (gopi’s) en natuurlijk zijn innig geliefde Shrimatie Raadhaa-raanie.