Laksjmie chaaliesaa

Laksjmie chaaliesaa

Dohaa:

Maatoe Laksjmie karie kriepaa, karo hrieday mé waas. Manokaamnaa siedh karie, poerwahoe mérie aas.

O Laksjmie maataa, weest u genadig, neemt u plaats in mijn hart. Stilt u mijn verlangen door mijn innerlijke wensen te vervullen.

Chaaliesaa:

Siendhoe soetaa may soemiero tohie, Gyaan boedhie wiedyaa déhoe mohie. Toem samaan nahie koyie oepkaarie, sab wiedhie poerwahoe aas hamaarie.

O dochter van de oceaan, ik roep u aan. Schenkt u mij kennis en wijsheid. Er is geen ander zo goedgunstig als u, vervult u mijn wensen op alle manieren.

Djay djay djagat djananie djagdambaa, sab ké toem hie ho awlambaa. Toem ho sab ghatt ghatt ké waasie, bientie yahie hamaarie khaasie.

Hulde, o moeder van de gehele wereld, u staat iedereen bij. Mijn speciaal verzoek aan u is dat u in ieders hart plaats neemt.

Djag-djananie djay siendhoe koemaarie, dienan ké toem ho hietkaarie. Bienwo nietya toemhie mahaaraanie, kriepaa karo djag djananie bhawaanie.

Hulde o moeder van de wereld, dochter van de oceaan, u bent de weldoenster van de armen. O koningin, ik bid dagelijks tot u, weest u genadig.

Kéhie wiedhie stoetie karoe tiehaarie, soedhie liedjay apraadh biesaarie. Kriepaa drieshttie chietwo mam orie, djagat djananie bientie soen morie.

Op welke wijze moet ik u aanbidden, mag ik uw aandacht en vergeving krijgen? Werpt u uw genadige blik op mij, o moeder van de wereld, hoort u mijn gebeden aan. 

Gyaan boedhie sab soekh kie daataa, sankatt haro hamaaré maataa. Ksjier-siendhoe djab Wiesjnoe mathaayo, chaudah ratna siendhoe mé paayo.

O schenkster van wijsheid en alle geluk, vernietigt u mijn narigheden. Toen god Wiesjnnoe de oceaan van melk liet karnen, verschenen daar veertien schatten uit.

Chaudah ratna mé toem soekhraasie, séwaa kieyo prabhoe ban daasie. Djo djo djanma prabhoe djahaa lienaa, roep badal taha séwaa kienhaa.

O brengster van geluk, in de veertien schatten was u er één van, u werd de gemalin van god Wiesjnoe (Vishnu). Telkens als god Wiesjnoe ergens geboorte nam, volgde u hem om hem bij te staan.

Swayam Wiesjnoe djab nar tanoe dhaaraa, lienheu awadh-poerie awtaaraa. Tab toem prakatt djanakpoer maahie, séwaa kieyo hrieday poelkaahie.

Toen god Wiesjnoe als Raam in Awadhpoer geboorte nam, verscheen u in Djanakpoer als Sietaa en bewees u vol blijdschap diensten aan Raam. 

Apnaayie tohie antaryaamie, wiesjwa wiediet triebhoewan ké swaamie. Toem sam prabal sjaktie nahie aanie, kahlau mahiemaa kahau bakhaanie.

De alles wetende god Wiesjnoe, wel bekend dat hij de heer van alle drie werelden is, maakte u eigen. Er is geen ander krachtiger dan u, uw grootheid kent geen grenzen.

Man kram wachan karé séw-kaaie, man iechhiet waanchhiet phal paaie. Tadjie chhal kapatt aur chatoeraayie, poedjahie wiewiedh bhaatie man laayie.

Degene die zich aan u, uit het diepste van zijn hart met woord en daad toewijdt, krijgt gemakkelijk al zijn innerlijke wensen vervult, mits hij afstand neemt van sluwheid, slimheid en bedrog.

Aur haal may kahau boedjhaayie, djo yah paatth karay man laayie. Taako koyie kashtt na hoyie, man iechhiet paaway phal soyie.

Voor de duidelijkheid nog even dit, degene die deze chaaliesaa uit z'n hart leest, zal geen problemen meer ondervinden en zal zijn wensen zien uitkomen. 

Traahie traahie djay doekh niewaarnnie, taap bhaw bandhan haariennie. Djo yah parrhé aur parrhaawé, dhyaan lagaakar soenay soenaaway.

O verdrijfster van problemen, ik smeek u om uw bescherming. U bent verdrijfster van alle problemen (lichamelijke problemen, slechte lot enzovoorts) en verlosser van de binding met de materiele wereld. Degene die deze chaaliesaa leest en laat lezen, er geconcentreerd naar luistert en anderen laat luisteren ...

Taako koyie rog na sataawé, poetra aadie dhan sampatie paaway. Poetra-hien aroe sampatie hienaa, andh wadhier korrhie atie dienaa.

... blijft gevrijwaard van ziektes en verkrijgt allerhande rijkdom zoals kroost en geld. Iemand zonder kinderen of die erg arm, blind, doof of lijdende aan melaatsheid is ...

Wiepra bolaay ké paatth karaaway, sjankaa man mé taniek na laaway.
Paatth karaaway dien chaaliesaa, taapar kriepaa karé Gauriesjaa.

.. als die een geestelijke uitnodigt en zonder wantrouwen deze chaaliesaa veertig dagen lang laat lezen, zal ongetwijfeld de genade van Laksjmie-maataa ontvangen.

Soekh sampatie bahoet so paaway, kamie nahie kaahoe ke aaway. Baarah maas karay djo poedjaa, téhie sam dhanya aur nahie doedjaa.

Diegene zal alle geluk en rijkdom verwerven en niets meer tekort komen. Geen ander zal gelijk zijn aan degene die twaalf maanden aan u toegewijde diensten houdt. 

Pratie dien paatth karay man maahie, oen sam koyie djagat mé kahoe naahie. Bahoe wiedhie kyaa may karau barraayie, léy parieksjaa dhyaan lagaayie.

Geen ander in de wereld zal gelijk zijn aan degene die elke dag deze chaaliesaa uit het diepste van z'n hart leest. Hoe kan ik op verschillende wijzen uw grootheid bezingen, u kunt zelf mijn test afnemen.

Karie wiesjwaas karay wrat némaa, hoy siedh oepdjay oer prémaa. Djay djay djay Laksjmie bhawaanie, sab mé wyaapie ho goenn-khaanie.

Degene die vol overtuiging uw "wrat" houdt (= vasten) en de daarbij behorende regels naleeft, wordt verrijkt met liefde en zegen. Hulde, o Laksjmie-maataa, de schat van wijsheid en deugd, neemt u plaats in een ieder.

Toemhro tédj prabal djag maahie, toem sam koyie dayaaloe kahoe naahie. Mohie anaath kie soedh ab liedjay, sankatt kaattie bhaktie mohie diedjay.

Uw kracht straalt in de gehele wereld, er is geen ander zo barmhartig als u. Ontfermt u alstublieft over mij. Vernietig mijn problemen en schenkt u mij devotie.

Bhoel-choek karie kjsamaa hamaarie, darsjan diedjay dasjaa niehaarie. Bien darsjan wyaakoel atie adhiekaarie, toemhie achhat doekh sahte bhaarie.

Vergeeft u mijn fouten. Toon u zelf aan mij en aanschouw mijn toestand. Ik ben zelf erg ongeduldig u te zien. Zonder u ben ik erg ongelukkig.

Nahie mohie gyaan boedhie hay man mé, sab djaanat ho apné man mé. Roep chatoer-bhoedj karké dhaaran, kashtt mor ab karhoe niewaaran.

U weet heel goed dat ik geen kennis en wijsheid bezit. Neemt u de gedaante met vier handen aan en ontneemt u mijn pijnen. 

Kéhie prakaar may karau barraayie, gyaan boedhie mohie nahie adhikaayie.

Ik bezit niet de kennis en wijsheid in voldoende mate om uw grootheid te bezingen.
 

Dohaas:

Traahie traahie doekh haarienie, haro bégie sab traas. Djayatie djayatie djai Laksjmie, karo sjatroe ko naasj.

O laksjmie, verdrijfster van ongeluk, ontneemt u mijn angsten. hulde, o onoverwinnelijke Laksjmie-maataa, roeit u mijn vijanden uit (met vijanden wordt hier angsten, ongelukken, narigheden enzovoorts bedoeld).

Raamdaas dharie dhyaan niet, wienay karat kar djor. Maatoe Laksjmie daas pay, karhoe dayaa kie kor.

Dagelijks op u concentrerend smeekt Raamdaas tot u (Raamdaas is de schrijver van de chaaliesaa), O moeder Laksjmie, ontfermt u zich over uw devoot.


Vertaling: Sjaam Mangal